Zonder sterke basisindustrie geen nieuw verdienvermogen
Nederland beschikt over de kennis, technologie en industriële clusters om ook in de toekomst een sterke economie te blijven. Het rapport-Wennink schetst daarvoor een investeringspotentieel van maar liefst 126 miljard euro. Maar voordat die investeringsmotor kan gaan draaien, moeten volgens een brede coalitie van industrieorganisaties eerst de belangrijkste randvoorwaarden op orde worden gebracht.
De basisindustrie speelt daarin een grotere rol dan vaak wordt gedacht. Sectoren als metaal, chemie, raffinage en industriële gassen leveren de materialen, kennis en infrastructuur waarop vrijwel de gehele maakindustrie voortbouwt. Van machinebouw en offshore wind tot defensie, mobiliteit en energietechnologie: zonder een concurrerende basisindustrie komen ook investeringen verderop in de keten onder druk te staan.
Dat geldt eveneens voor innovatie. Start-ups en scale-ups kunnen alleen doorgroeien als zij beschikken over grondstoffen, productiecapaciteit, energie, technische kennis en industriële partners. Wanneer de basis onder dat ecosysteem verdwijnt, wordt het steeds moeilijker om nieuwe technologie in Nederland op industriële schaal toe te passen.
Precies daar wringt het. Nederlandse energie-intensieve bedrijven hebben te maken met elektriciteits- en netkosten die aanzienlijk hoger liggen dan in omringende landen. De nettarieven zijn de afgelopen jaren zelfs vertienvoudigd. Daardoor wordt niet alleen de bestaande productie duurder, maar verslechtert ook de businesscase voor elektrificatie en andere verduurzamingsprojecten. Bedrijven die willen investeren in schonere productie worden zo geconfronteerd met kosten die hun buitenlandse concurrenten niet of veel minder hebben.
De Industriecoalitie vraagt daarom om snel herstel van het gelijke speelveld. Onder meer door de beschikbare middelen voor de energie-intensieve industrie naar voren te halen en de nettarieven structureel te verlagen. Pas wanneer produceren en verduurzamen in Nederland weer concurrerend mogelijk zijn, kan de industrie de omslag van krimp naar groei maken.
Ook de Nederlandse regeldruk vormt een rem op investeringen. Europese regels krijgen hier regelmatig aanvullende nationale eisen, terwijl bedrijven in andere lidstaten daar niet mee te maken hebben. De voorgestelde Buurlandentoets moet daarom zichtbaar maken hoe nieuw beleid uitpakt ten opzichte van landen als Duitsland en België.
Daarnaast pleit de coalitie voor meetbare doelen om de regeldruk daadwerkelijk te verminderen en voor één verantwoordelijke bewindspersoon per strategisch project, met voldoende bevoegdheden om knelpunten op te lossen.
Een concurrerende industrie vraagt bovendien om meer dan alleen nationaal beleid. Europa moet sneller kunnen optreden tegen dumping van producten uit China en andere vormen van oneerlijke concurrentie. Als Europese producenten verdwijnen doordat geïmporteerde producten onder kostprijs op de markt worden gebracht, neemt niet alleen de economische bedrijvigheid af. Ook de afhankelijkheid van buitenlandse leveranciers voor strategische materialen, componenten en technologie wordt groter.
Daarom vraagt de Industriecoalitie eveneens aandacht voor toegang tot kritieke grondstoffen, het creëren van vraag naar duurzaam geproduceerde materialen en het tijdig realiseren van elektriciteits-, waterstof- en andere energie-infrastructuur. Zonder afnemers voor groene producten en zonder beschikbare infrastructuur blijven veel verduurzamingsprojecten immers op de tekentafel liggen.
De kern van de oproep is helder: een sterke industrie en verduurzaming zijn geen tegengestelde belangen. De industrie is juist nodig om de energie- en klimaattransitie uit te voeren, onze economische weerbaarheid te vergroten en strategische productieketens in Nederland en Europa te behouden.
Nederland heeft de plannen, de technologie en de bedrijven. Wat nu nodig is, is samenhangend beleid dat investeringen daadwerkelijk mogelijk maakt. Want zonder sterke industriële basis wordt het moeilijk om de groeikansen uit het rapport-Wennink te verzilveren.