De Tweede Kamer wil dat het kabinet op korte termijn in gesprek gaat met de staal- en aluminiumsector over de oplopende kosten van het Europese Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM). Aanleiding is een recent aangenomen motie waarin wordt gewezen op uitvoeringsproblemen die leiden tot mogelijk onnodig hoge kosten voor bedrijven.

CBAM moet zorgen voor een gelijk speelveld tussen Europese producenten en concurrenten buiten de EU door een CO₂-heffing op geïmporteerde materialen zoals staal en aluminium. In de praktijk blijken bedrijven echter tegen problemen aan te lopen. Door een tekort aan erkende verificateurs kunnen veel bedrijven nog geen gebruik maken van werkelijke emissiedata van hun leveranciers. Daardoor moeten zij vaak terugvallen op standaardwaarden van de Europese Commissie, die doorgaans aanzienlijk hoger liggen dan de daadwerkelijke uitstoot.

Het gevolg is dat Nederlandse bedrijven in sommige gevallen heffingen betalen voor emissies die feitelijk lager liggen dan de gehanteerde waarden. Dat kan leiden tot onverwachte kostenstijgingen in de keten, bijvoorbeeld bij bedrijven die staal en aluminium verwerken in hun producten.

Volgens de industrie is snelle duidelijkheid nodig. Veel maakbedrijven bepalen in de loop van de zomer hun prijsstelling voor het volgende jaar. Als de onzekerheid rond CBAM-kosten blijft bestaan, kan dat gevolgen hebben voor prijsontwikkeling en concurrentiepositie.

De aangenomen motie vraagt het kabinet daarom om binnen enkele maanden met de sector te overleggen en te onderzoeken of tijdelijke nationale oplossingen mogelijk zijn. Tegelijkertijd wordt gekeken naar structurele verbeteringen op Europees niveau, zodat bedrijven in de toekomst kunnen beschikken over betrouwbaar geverifieerde emissiegegevens.

Voor de Nederlandse maakindustrie staat daarbij vooral één vraag centraal: hoe kan het systeem bijdragen aan eerlijke concurrentie zonder dat bedrijven worden geconfronteerd met kosten die niet in verhouding staan tot de daadwerkelijke uitstoot.