De afzetprijzen van de Nederlandse industrie lagen in september gemiddeld 8,3 procent hoger dan een jaar eerder. In augustus bedroeg de stijging nog 6,9 procent. Ook binnen de metaalproductenindustrie namen de verkoopprijzen toe: daar lagen de afzetprijzen 4,5 procent boven het niveau van september 2025. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van het CBS.

De verschillen tussen industriële branches zijn groot. De machine-industrie noteerde een prijsstijging van 1,2 procent, terwijl de elektrotechnische industrie op 0,7 procent uitkwam. In de voedingsmiddelenindustrie daalden de prijzen juist met 4,1 procent. Het gemiddelde van de totale industrie weerspiegelt daarmee uiteenlopende ontwikkelingen.

Olieprijs beïnvloedt het totaalbeeld

De sterkste prijsstijging deed zich voor bij aardolieproducten, die 75,4 procent duurder waren dan een jaar eerder. In de chemische industrie stegen de afzetprijzen met 14,9 procent. Een vat North Sea Brent kostte in september ruim 87 euro, ongeveer 53 procent meer dan een jaar eerder.

Ook ten opzichte van augustus stegen de industriële afzetprijzen. De toename bedroeg gemiddeld 1,3 procent. Op de buitenlandse markt stegen de prijzen met 1,7 procent, tegenover 0,9 procent op de binnenlandse markt.

Verkoopprijzen geven geen volledig beeld van marges

Voor het metaalbewerkende mkb is het onderscheid tussen afzetprijzen en bedrijfskosten relevant. Afzetprijzen beschrijven de prijzen die producenten voor hun producten ontvangen. Ze vertellen op zichzelf niet hoeveel een onderneming overhoudt. Daarvoor zijn ook de ontwikkeling van materiaalprijzen, personeelskosten, energieverbruik en andere bedrijfskosten bepalend.

Een hogere verkoopprijs kan samengaan met een hogere marge, maar ook met een gelijkblijvende of lagere marge wanneer de kosten sterker oplopen. Daarnaast geven gemiddelde branchecijfers geen uitsluitsel over individuele bedrijven. Productmix, contractafspraken en het moment waarop prijzen worden aangepast, kunnen tot verschillen leiden.