De Nederlandse industrie heeft in het eerste kwartaal van 2026 opnieuw meer omzet geboekt dan een jaar eerder. Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) lag de industriële omzet 2,3 procent hoger dan in dezelfde periode van 2025. Opvallend daarbij is dat de groei volledig uit het buitenland kwam. De binnenlandse omzet daalde, terwijl de export juist toenam.

De omzetstijging werd niet veroorzaakt door hogere prijzen. Integendeel: de afzetprijzen lagen gemiddeld 1,2 procent lager dan een jaar eerder. Dat betekent dat de industrie daadwerkelijk meer producten heeft afgezet. In een periode waarin veel sectoren nog altijd te maken hebben met economische onzekerheid, laat dat zien dat de internationale vraag naar Nederlandse industriële producten op peil blijft.

Binnen de industrie waren de verschillen groot. De sterkste groei werd gerealiseerd door raffinaderijen en de chemische industrie, waar de omzet met 7,3 procent steeg. Ook de elektrotechnische en machine-industrie liet een stevige plus zien van 5,1 procent. De transportmiddelenindustrie noteerde een omzetgroei van 3,4 procent.

Voor de metaalsector bleef de groei beperkter. De omzet lag in het eerste kwartaal 1,6 procent hoger dan een jaar eerder. Daarmee blijft de sector wel aan de positieve kant van de streep, maar het groeitempo ligt lager dan in verschillende andere industriële branches.

Tegelijkertijd zijn er signalen dat het industriële klimaat voorzichtig verbetert. Eerder meldde het CBS al dat de industriële productie in maart 1,7 procent hoger lag dan een jaar eerder. Ook ten opzichte van februari nam de productie toe.

Daarnaast nam het aantal faillissementen in de industrie af. In het eerste kwartaal werden 73 industriële bedrijven failliet verklaard, elf minder dan in dezelfde periode vorig jaar.

De cijfers wijzen daarmee op een industrie die zich langzaam herstelt, waarbij vooral internationale markten momenteel de belangrijkste groeimotor vormen.