Deze week schortte de Amerikaanse regering de importheffingen voor staal en aluminium uit de EU op, van 1 mei tot 1 juni. Een teleurstelling, vinden brancheorganisaties VNMI en FME en werkgeversclub VNO-NCW. “Wij willen de heffingen permanent van tafel. Nu blijft onduidelijkheid boven de markt hangen en dat is slecht voor onze ondernemers”, aldus Sekhar Lahiri, directeur VNMI.

In een persbericht van VNMI – de brancheorganisatie die 80% van de Nederlandse producenten van ruwe metalen en metaallegeringen vertegenwoordigd – staat verder te lezen: “Zolang de Amerikaanse overheid niet besluit om de heffingen definitief voor de EU af te schaffen, weten de ondernemers in de metallurgische industrie niet waar ze aan toe zijn. Enerzijds, is onduidelijk of de Amerikaanse markt wel toegankelijk blijft zoals men nu gewend is. De Amerikaanse markt is een groeimarkt: Nederlandse staal- en aluminiumbedrijven exporteren jaarlijks voor ruim 600 miljoen euro per jaar naar de VS. Anderzijds, ligt schade voor de Nederlandse exportpositie op de EU-markt op de loer. De EU is de grootste exportmarkt. Er zijn nu al voortekenen dat Aziatisch staal en aluminium dat niet op de Amerikaanse markt terecht kan, op de EU-markt wordt afgezet.”

VNMI krijgt bijval van de ondernemersorganisatie voor de technologische industrie FME en werkgeversorganisatie VNO-NCW. Volgens FME-voorzitter Ineke Dezentj√© Hamming-Bluemink zijn handelstarieven ,,botte instrumenten die schade veroorzaken in de toeleveringsketens tussen Europa en de VS”. Als de importheffing op staal en aluminium na 1 juni toch worden ingevoerd, ontstaat er volgens haar ,,een grote deuk” in de jarenlange vertrouwens- en handelsrelatie. VNO-NCW noemt de maand uitstel een klein lichtpuntje, maar vindt wel dat Nederland samen met de EU volop moet inzetten op een permanente uitzonderingspositie.